De Spijtzwam

Zoals elke week na de fitness, fietste ik nog even met je op. Bij jouw huis aangekomen zwierde ik dan een keer over het pleintje met de rozenboog in het midden en zwaaide als je de garagedeur achter je dicht trok. Dan lachte je. Met je hele gezicht. Je blauwe ogen als kristallen tegen de donkere achtergrond van die geopende muil van de garage.

Natuurlijk vond ik je leuk. Maar niet meer dan Koot en Bie op zondag of een bezoek aan de boekenbeurs in Deventer. In de fitness ruimte deden we nooit hetzelfde en altijd een eind uit elkaar. Pas als we met een te rood hoofd uit de doucheruimte kwamen, handdoeken als gestroopte berenhuiden over onze schouders, liepen we elkaar tegen het lijf.
“Volgende week?”
“Ja, misschien wel!”
Dat was het, een conversatie van en over letterlijk niks!
Maar daarna sprongen we op de fiets. Ik een keer iets te enthousiast, zodat ik niet op het zadel landde, maar eroverheen sprong. Ik wist met hang en sluitwerk overeind te blijven, maar dat moet er allerminst heldhaftig, charmant of zelfs maar lenig hebben uitgezien. Eerst lachte je je bekende garagedeurlach, maar je leek het in te slikken, als een snoepje omdat je moet gaan zingen. Je kwam naast me staan, wreef over mijn geschaafde elleboog en zei zacht: “Gaat het?”
Vanaf dat moment was je niet meer dezelfde. Gek hoe zoiets in een splitseconde kan verdwijnen; hoe jij met “Gaat het?” verdween in de massa kennissen, verre vrienden of oninteressante familieleden van de koude kant. Er kwam een nieuwe jij voor in de plaats. Een jij die ik opzocht als je aan de andere kant van de fitnessruimte op een lopen band liep. Met mijn ogen, volgelopen met zout zweet, omdat ik net deed alsof ik hard aan een tweetal stangen trok die je van een meter zijwaarts tot vlak voor je gezicht moest zien te krijgen. Een belachelijke oefening, vooral voor een veertiger die vecht tegen van alles dat na je veertigste opduikt op de meest onverwachte plekken.
“Volgende week?”
“Zeker weten!”
En toen gebeurde het. Jullie huis werd verbouwd. En omdat je wist dat ik er verstand van had (zei je) vroeg je me mee naar binnen. Ik liep achter je aan de trap op. Daar op die eerste verdieping was de ingreep op zijn hoogtepunt. Gapende gaten in de gevel, loshangende pvc pijpen met bundels kabels, met rode stickers beplakte prefab dubbelbeglaasde kozijnen en vooral stof, veel stof. Je ging bij die te grote opening staan. Naast je kon ik niet, daar lagen stapels isolatiedeken. Schuin achter je dus. Wat een prachtig uitzicht. De heuvelachtige bebossing, de eerste tinten goud en scharlaken in de bomen, maar vooral die nek. Je praatte, alsof je niet wist hoe dicht bij ik was. Alsof ik iemand was die er verstand van had, maar je moet het gevoeld hebben. Ik zag die welvende blanke nek soepel verdwijnen in een wijduitstaande trui. En je vers gewassen haren droogden in de wind, Ze bewogen in een dun sliertje van je linker oor naar je rechterschouder. Blonder dan ooit. Mijn mond maakte een tuitje, ik proefde je op zestig centimeter afstand, ik keek naar die kleine vallei midden in je nek die zich parmantig stukliep op de bovenste wervel. Een vluchtheuveltje. Ik boog me voorover, terwijl jij vroeg welke kleur ik die muur zou geven en of ik zonwering zou nemen of niet. Maar je moet me gevoeld hebben, mijn ademtocht streek langs jouw hals als een voorjaarsbries langs de dunne twijgen van de ligusterheg. Je draaide je niet om. Je liet me begaan. Je vond het goed. Maar ik schrok wakker toen ik minder dan vijf centimeter bij je vandaan was. Ik deed het niet. Je zou het nooit te weten komen. Die bijna kus, die frontale aanval op de vluchtheuvel, of hoe ik die dunne sliert uit je nek zou vegen. Terloops bijna. Niets van dat al. Ik zei: “Zonwering?” en deed een onhandige stap achteruit, waardoor ik struikelde over een gereedschapskist.
Je onderdrukte die gelukzalige lach. Je zei: “Gaat het?”
Ik zwierde snel nog een rondje over het plein en zwaaide naar je.
Ik ben niet meer naar fitness gegaan. Nooit meer.

Cees Oosterwijk

« »